kortverhaal - branko

Een oude man en een hond, de foltering.



branko
Peter Minten
(openingsfragment van het verhaal)



‘Het is tijd voor Branko’s ochtendwandeling,’ zegt Yvette. ‘Blijf niet te lang weg. Hij gedraagt zich de laatste tijd vreemd.’ Ze zit naast het geopende raam aan de ontbijttafel. Haar grijzende haren hangen los langs haar hoofd. De eerste zweetdruppels van die dag zoeken een weg langs de groeven van haar gelaat.
Branko, zo heet haar hond. Een harig beest met loense ogen. Het dier racet door de keuken, knalt met zijn bek bijna tegen een deurpost en slalomt dan bassend naar de woonkamer.
‘Branko beweegt genoeg,’ zegt Marcel.
‘Jij bent het die moet bewegen, Marcel. Kijk eens naar je buik. Als je niet beweegt val je binnenkort dood.’
‘Ach.’ Sloom richt Marcel zich op van zijn stoel en sleurt een geruit hemd over zijn vlezige buik. Met zijn mollige handen graait hij de leiband van de haak.
Yvette hapt in een beschuit met tofupasta. Sinds kort is ze verslaafd aan die vegetarische rommel. Yvette vertikt het om met haar loon vlees voor Marcel te kopen. Zelfs ontbijtspek heeft ze na zijn gedwongen ontslag van de boodschappenlijst geschrapt.
 ‘Kom,’ zegt Marcel tegen het beest.
 Branko bekrast de voordeur.
‘Koest.’ Morrend haakt Marcel de lijn aan de halsband. De hond raast door het open deurgat en rent naar de door zonlicht overvallen straat.
     De lijn staat strak. Exact vijf meter is de afstand tussen de hond en Marcel.
     ‘Wachten, verdomd beest.’
     Het dier kijkt niet om en sleurt een binnensmonds vloekende Marcel over het voetpad, voorbij een rij zwetende huizen.
     Aan het eind van de straat zwoegt een smalle weg door een koel wilgenbos. De hond stormt vooruit, snuift aan het lijk van een kikker, verslikt zich in zijn eigen geraas en rukt weer aan de lijn. Marcel draait de leiband met enkele forse slagen rond de leuning van een in de grond verankerde zitbank. Vrolijk blaffend springt de hond naar een libelle.
‘Je bent de vorige keren vergeten, stom beest, je hebt geen snars geheugen, elke dag moet ik opnieuw beginnen.’
Marcel rukt een tak van een wilg en keilt die een kort eind van de bank. Branko springt vooruit. Marcel verbergt zich achter een wilgenstruik. Nu is het alleen nog een kwestie van aftellen tot het beest het snapt. Zo ging het alle vorige dagen. Terwijl Marcel tussen de takken gluurt, diept hij enkele toffees op uit zijn binnenzak en propt ze tussen zijn vlezige lippen.
     De eerste minuten loert de hond vol verwachting om zich heen. Dan bast het beest. De seconden tussen het blaffen worden langer, het beest wordt onrustiger, draait in steeds kleinere kringen en gaat dan op de grond zitten. Nog een laatste kwispel. Dan is er het klagende gepiep. Eindelijk het gepiep van de hond. Het beest moet het snappen. Het beest moet snappen dat het leven klote is.

(...)

peter.minten@hotmail.com
copyright Peter Minten 2013 

kortverhaal - de muur

Het kortverhaal 'de muur' werd gepubliceerd in het Nederlandse literaire tijdschrift Extaze (nummer 5, jaargang 2, januari 2013).


kortverhaal - Rodebeke

Een Vlaams verkavelingsdorp. Een jongen. Een tuin. En een handvol aangelanden.



Rodebeke
Peter Minten
(fragment van het verhaal)


‘Maarten.’ De lokkende stem van mijn vader.
Ik doe gewoon alsof ik er niet ben. Hier in het gat in de heg zit ik goed. Ik kan de tuin hiernaast in het oog houden. Vier Poolse mannen zitten op stoelen voor de ingang van hun tent. Ze konden er niet meer bij, in het huis. Dus wonen ze in die grote tent in de tuin. De mannen hebben tuinstoelen naast hun tent gezet. Daar zitten er een paar. Met blote gespierde bovenlijven. Ze hangen achterover. Ze boeren, lachen hard, en drinken flessen bier. Eén van hen gaat plassen achter in de tuin, in de kippenren. Hij werpt een bierblikje naar de kippen. Nu zoekt hij eieren.
      Daar heb je nog een vijfde Pool. Hij plukt maïskolven in het veld achter de tuin. Die Polen doen allemaal alsof alles hier van hen is. Dat zegt mijn vader.
     Een hand als een klem rond mijn arm. Ze zijn dus met zes. Nu wordt het link. De Pool die mijn arm gekneld houdt, sleurt me mee naar de anderen.
     ‘Wadoegier?’ vraagt iemand in gebuisd Nederlands.
     ‘Wie is dat?’ vraagt een derde. ‘Deze tuin is van ons. De Sadowski's hebben het huis en de voortuin gekocht. Dit is van ons. Wij hebben de achtertuin gekocht.’
Ze spreken de laatste letters van de woorden heel langzaam uit. Polen is vast een koud land. Een land waar de laatste letters bevriezen op je tong.
     ‘Zit je ons te bespioneren?’
     ‘The game,’ zegt een ander.
     De mannen beginnen te grijnzen.
     ‘Laten we lol maken. Hij moet de kotsproef doen, zegt er één.’
     ‘Ja, laat hem kots vreten,’ zegt een ander. Hij stinkt naar het bier. Ze beginnen te lachen. Terwijl twee mannen me vasthouden, komt een andere uit de tent met een bord kots. Vieze kots. De twee mannen dwingen me op mijn knieën te gaan zitten. Eén van hen grijpt mijn haar vast en duwt mijn gezicht in de kots. Ik ruik bier en kotsvlokken. Ik voel mijn maag bewegen. Dan stroomt mijn eigen kots uit mijn mond. Ik kan er niets aan doen. Dan een gillende stem. Een vrouwenstem. Ze laten me los.
     ‘Maak je niet druk,’ zegt één van de mannen. ‘Rustig aan, Agnieszka.’
     ‘Het is de jongen van hiernaast,’zegt iemand die Agnieszka heet, maar nog geen vrouw is
      ‘Jullie zoeken problemen,’ zegt ze. ‘Laat die jongen gaan.’
     ‘Rustig aan,’ zegt een man. ‘Het is maar een spelletje. Het is geen echte kots. We hebben alleen maar wat stukken brood gemengd met een beetje bier. Dat spelletje kent iedereen in Polen. Het is om te lachen. Je moet meer lachen, Agnieska.’
     De vrouw die Agnieszka heet maar nog geen vrouw is, droogt mijn mond af.
     ‘Het is wel echte kots,’ zegt ze.
     ‘Het is zijn kots,’ zegt de man. ‘Hij heeft gekotst.’
     ‘Laat hem met rust,’ zegt het meisje.
     ‘Hoe heet je?’ vraagt ze voor ze me naar het gat in de haag duwt. Terug naar die vreselijke lokkende stem.
     ‘Vanbeem,’ mompel ik. Dezelfde naam als mijn pa. Maarten Vanbeem.’
      Ze lacht even naar me en draait zich dan weer naar de mannen.
     ‘Wie wil er nog bier?’
     ‘Hier met dat bier,’ zegt één van de mannen. ‘En geef die jongen ook een fles. Zijn maag is nu toch leeg.’

(...)

Peter Minten 2013

peter.minten@hotmail.com